Josef Šourek — de man die Betyna haar verhaal gaf
Legionair, kolonel, botanicus en beschermer van de natuur in het Reuzengebergte. Na de Tweede Wereldoorlog woonde hij juist in dit huis, waar hij een particulier botanisch station inrichtte en de flora van het gebergte onderzocht. Hij schreef het standaardwerk Flora van het Reuzengebergte.
Adjudant van president Masaryk
Josef Šourek behoorde tot de Tsjechoslowaakse legionairs die in Rusland vochten. Zijn militaire loopbaan en het vertrouwen van de president maakten hem tot diens adjudant. Er is een foto bewaard gebleven van de eerste Burchtwacht, waarop hij aan de rechterhand van T. G. Masaryk zit. Voor moed in de legioenen kreeg hij meerdere onderscheidingen.
De man die het gebergte beschermde
Na zijn vertrek uit het leger wijdde hij zijn leven aan de botanie. Hij bracht de plantenwereld van het gebergte nauwgezet in kaart, legde een eigen herbarium aan en maakte van het huis dat nu Betyna is een botanisch onderzoeksstation. Hij was een van de belangrijkste pleitbezorgers van natuurbescherming en ijverde jarenlang voor een nationaal park.
Verzet tegen mijnbouw in Obří důl
In de jaren vijftig verzette hij zich openlijk tegen plannen voor ertswinning in het dal Obří důl. Zijn onbuigzaamheid kostte hem zijn functie als natuurbeschermer en zijn pensioen. Toch bleef hij het gebergte verdedigen. Pas halverwege de jaren zestig werd hij gerehabiliteerd.
Betyna als botanisch station
Uit de archieven blijkt dat Josef Šourek na 1945 eigenaar was van huis nr. 198 en het bewoonde als gezinswoning, particulier natuurbeschermingsstation en botanisch onderzoeksstation. Hij woonde hier tot zijn dood in 1968.
Naast het huis groeit een ernstig bedreigde endemische soort
Vlak naast het huis groeit tot op vandaag de Sudeten-meelbes (Sorbus sudetica) — een ernstig bedreigde endeem van het Reuzen- en Isergebergte en een van de botanische zeldzaamheden van Tsjechië. Deze streng beschermde boom trekt regelmatig botanici en studenten die hier op excursie komen.
Na de dood van Josef Šourek kwam het huis in staatsbeheer en diende het als vakantieobject. In die periode volgden enkele weinig fijnzinnige ingrepen — de houten wanden werden aan de buitenkant met eterniet bekleed, en het botanische station verdween, net als de bijzondere plantenverzameling die Šourek decennialang had opgebouwd en beschermd.
Sinds 1990 is Betyna weer particulier bezit. Als familiepension van de familie Kesselgruber wordt het huis stap voor stap zorgvuldig gerestaureerd, met als doel zo veel mogelijk van het oorspronkelijke bergkarakter terug te brengen, het erfgoed van het huis te respecteren en de geest te bewaren van een plek die al ruim honderd jaar bij dit landschap hoort.




